World Circular Economy Forum: Nederlandse bijdragen en deelname
Je staat midden in de stad en kijkt omhoog. Wat je ziet, zijn niet alleen gebouwen, maar enorme stapels materialen. Beton, staal, bakstenen. Het World Circular Economy Forum (WCEF) is hét moment waarop we beslissen wat we met die stapels doen.
Het is niet zomaar een conferentie; het is de plek waar de wereld de koppen bij elkaar steekt om de lineaire rommel op te ruimen en een cirkel te sluiten.
Nederland loopt hierin voorop. We zijn een klein land, maar we hebben grootse plannen als het gaat om circulair bouwen en urban mining. Dit is hoe we het aanpakken en wat jij eraan hebt.
Wat is het World Circular Economy Forum eigenlijk?
Stel je voor: een club van de slimste koppen, bedrijven en overheden die elkaar elk jaar vinden om de circulaire economie te versnellen.
Het WCEF, georganiseerd door het Finse agentschap voor de circulaire economie (Sitra), is dé wereldwijde ontmoetingsplek. Het doel is simpel: stop met verspillen en begin met hergebruiken. In Nederland zit dat in ons DNA. We zijn een natie van handelaren en makers.
We weten hoe we materialen moeten verplaatsen en transformeren. De focus in Nederland verschuift van praten naar doen.
Waar we vroeger vooral keken naar recycling van plastic flesjes, kijken we nu naar complete gebouwen.
Het gaat over 'urban mining': de stad als mijn zien. Al dat beton, die stalen balken en bakstenen? Dat is geen afval, dat is een voorraad voor de toekomst.
Het WCEF brengt deze ideeën bij elkaar. Het is de plek waar een aannemer uit Rotterdam een deal sluit met een architect uit Amsterdam om een kantoorpand te slopen en direct elders opnieuw op te bouwen.
Een typisch Nederlands concept dat hier schittert, is 'pas toe of leg uit'. Dit betekent dat de overheid eist dat bij nieuwe projecten gekeken wordt naar hergebruik. Als je een gebouw neerzet, moet je kunnen uitleggen waarom je geen oude materialen gebruikt.
Dit dwingt de markt tot innovatie. Bedrijven als Madaster, het 'paspoort voor gebouwen', spelen hierop in.
Ze registeren elk materiaal, zodat je precies weet wat er in een pand zit. Zo wordt een gebouw een waardevolle materialenbank voor de toekomst.
Hoe werkt circulair bouwen in de praktijk?
Circulair bouwen draait om drie simpele principes: de bouwstroom sluiten, biobased materialen gebruiken en slim ontwerpen. Eerst de stroom sluiten.
Dit betekent dat je materialen hergebruikt voordat ze afval worden. Denk aan stalen kozijnen die je demonteert en opnieuw gebruikt. In plaats van nieuw staal (wat ongeveer €1.200 per ton kost), betaal je misschien €400 voor een gebruikt kozijn dat even goed is.
Het enige verschil is de geschiedenis. Een specifieke Nederlandse toepassing is het 'revitaliseren' van bestaande panden.
In plaats van sloop en nieuwbouw, wordt er gekeken naar de potentie van het bestaande casco. Neem de A'DAM Toren in Amsterdam. Die is verbouwd in plaats van gesloopt.
Door de bestaande structuur te behouden en slim aan te vullen, bespaar je niet alleen materiaal, maar ook enorm veel CO2-uitstoot. Nieuw beton stoot ongeveer 400 kg CO2 uit per kubieke meter.
Hergebruik van bestaand beton scheelt direct de volledige productie-uitstoot. Dan de biobased materialen.
Dit zijn materialen die groeien, zoals hout, vlas of stro. In Nederland zie je een opkomst van houtbouw. Projecten zoals 'Houthaven' in Amsterdam laten zien dat je tot 12 verdiepingen hoog kunt bouwen met kruislaaghout (CLT). Dit materiaal is lichter dan beton en slaat CO2 op in plaats van uit te stoten.
De prijs ligt wel hoger, rond de €500-€700 per kubieke meter, tegenover €350 voor beton, maar de totale kosten dalen omdat de fundering lichter kan en je sneller bouwt. Urban mining is de schakel tussen sloop en hergebruik.
Het is het systematisch oogsten van materialen uit bestaande gebouwen die gesloopt moeten worden. Bedrijven als New Horizon zijn hier specialist in. Ze slopen niet, ze demonteren.
Ze halen bakstenen uit de muur, stalen balken uit het plafond en kozijnen uit de gevel. Vervolgens sorteren, reinigen en registreren ze deze materialen. Zo ontstaat een marktplaats voor bouwmaterialen die anders op de afvalberg belanden.
De business case: Wat levert het op?
Veel mensen denken dat duurzaam bouwen duur is. Dat hangt er vanaf hoe je het bekijkt.
Op de korte termijn kosten nieuwe materialen vaak minder. Op de lange termijn betaal je voor de sloop en het afvoeren van puin.
Circulair bouwen draait de boel om. Je ziet nu dat de vraag naar circulaire materialen zo groot is dat de prijzen stijgen. Een partij die een grote voorraad gebruikt metselwerk heeft, kan dat nu verkopen voor bijna de helft van de nieuwprijs, maar met een hogere marge omdat de inkoop nihil was.
Er zijn verschillende verdienmodellen. De meest bekende is de 'materialenpaspoort-aanpak'. Madaster rekent bijvoorbeeld kosten per vierkante meter gebouw per jaar (zo'n €0,50 tot €1,00) om de materialen te registeren. Dit klinkt als een kostenpost, maar het verhoogt de waarde van het gebouw.
Bij verkoop of verhuur is het pand geen stenen stapel meer, maar een bank van materialen.
Dit maakt het aantrekkelijker voor investeerders die duurzaamheid waarderen. Een ander model is 'Product-as-a-Service' (PaaS).
In plaats van een kantoordeur te kopen, huur je de functionaliteit van de deur. De leverancier, bijvoorbeeld een bedrijf als Forbo Flooring, blijft eigenaar van de vloer. Zodra de vloer versleten is, neemt de leverancier deze retour om te recyclen of te refurbishen.
De klant betaalt maandelijks een bedrag (bijvoorbeeld €2 per m2). Dit ontmoedigt sloop en stimuleert duurzaam ontwerp, want de leverancier wil zo min mogelijk onderhoud en materiaalverlies.
Subsidies en fiscale voordelen helpen enorm. De overheid heeft regelingen zoals de Demonstatieregeling Circulair Bouwen. Hiermee kunnen projecten tot €500.000 subsidie krijgen om circulaire bouw-innovaties te demonstreren.
Ook de BPM (Belasting van Personenauto's en Motorrijtuigen) wordt aangepast voor elektrische en waterstof auto's, maar in de bouw zie je dat het lage BTW-tarief voor sloop en renovatie soms wordt aangepast om hergebruik te stimuleren. Dit maakt de stap voor aannemers kleiner om te investeren in urban mining.
Varianten en modellen: Welke past bij jou?
Niet elk project is hetzelfde. Daarom zijn er verschillende aanpakken.
De 'biobased' aanpak is ideaal voor woningbouw. Denk aan houtskeletbouw of de toepassing van stro en leem. Bedrijven als BioBased Buildings leveren kant-en-klare gevelelementen van houtvezel.
Deze zijn licht, isolerend en betaalbaar. De prijs ligt op dit moment rond de €120 per m2 voor het casco, wat concurrerend is met traditionele bouw, vooral als je de snelheid van bouwen meerekent (30% sneller).
De 'mineralen' aanpak draait om hergebruik van stenen en beton. Dit is typisch voor utiliteitsbouw en renovatie.
Bedrijven als Drechtstad Circulair leveren hergebruikte bakstenen. De prijs is vaak afhankelijk van de beschikbaarheid, maar ligt vaak rond de €0,50 per steen, terwijl nieuwe stenen €0,80 kosten. Het voordeel zit hem in de unieke uitstraling en het verhaal. Gebruikte stenen hebben karakter.
Een specifieke Nederlandse variant is de 'cirkel van Amsterdam'. Dit is een netwerk van partijen die materialen lokaal uitwisselen.
Een sloopbedrijf levert materialen aan een aannemer in dezelfde wijk. Dit bespaart transportkosten en CO2. Transport kost al gauw €1,50 per km voor een vrachtwagen.
Als je materialen lokaal hergebruikt, schrap je die kosten en de uitstoot.
Dit werkt het beste in dichtbevolkte gebieden waar de vraag en aanbod dicht bij elkaar liggen. Er is ook een model waarbij de overheid de regie neemt. In gemeentes zoals Rotterdam of Utrecht eisen ze bij aanbestedingen een minimum percentage hergebruikte materialen.
Vaak gaat het om 20% tot 30%. Als je hier niet aan voldoet, mag je niet eens meedoen aan de tender.
Dit zorgt voor een push-effect. Aannemers worden gedwongen om te zoeken naar urban mining-partners, waardoor de markt groeit en de prijzen dalen.
Praktische tips om te starten
Wil je zelf aan de slag? Begin klein. Je hoeft niet
