Veelgestelde vragen over certificering van geoogste bouwmaterialen

Portret van Thomas Hoekstra, Bouwkundig Ingenieur & Circulaire Bouw Adviseur
Thomas Hoekstra
Bouwkundig Ingenieur & Circulaire Bouw Adviseur
Uitvoering, Demontabel Bouwen & Urban Mining · 2026-02-15 · 6 min leestijd

Je staat op het punt om een oud pand te strippen. Niet zomaar slopen, maar met zorg demonteren.

Je hebt prachtige eiken balken, unieke bakstenen en misschien zelfs stalen kozijnen die je wilt hergebruiken. Maar dan komt de grote vraag: hoe bewijs je dat dit spul veilig en van goede kwaliteit is?

Het antwoord ligt in certificering. Het klinkt formeel, maar het is je pasje naar de markt. Zonder certificaat zie je bouwers nog liever nieuw materiaal kopen. Wij snappen dat dit proces ingewikkeld kan voelen.

Daarom beantwoorden we hier de vragen die we zelf ook zouden stellen.

Laten we de twijfels wegnemen en je op weg helpen.

Waarom zou ik eigenlijk geld en moeite stoppen in het certificeren van mijn geoogste materialen?

Omdat het je materiaal direct meer waard maakt. Denk er eens over na: een aannemer wil zekerheid.

Hij of zij wil niet twijfelen aan de sterkte van jouw tweedehands bakstenen of de zuiverheid van je hout.

Een certificaat is dat bewijs. Het zegt: "Deze steen is getest en voldoet aan de normen voor druksterkte, net als een nieuwe." Zonder dat papiertje ben je een gok voor de bouwer. Met een certificaat ben je een betrouwbare partner.

Het schept ook duidelijkheid voor de gemeente of de vergunningverlener. Steeds meer gemeentes eisen hergebruik, bijvoorbeeld dat 20% van het materiaal circulair is. Een certificaat helpt je om aan die eis te voldoen. Je kunt het zien als een investering. Je betaalt misschien €500 tot €1500 voor een partij hout, maar je kunt het vervolgens verkopen voor een hogere prijs en je onderscheidt je direct van de concurrentie die alleen nieuw levert.

Wat is het verschil tussen een MIA/VAMIL-verklaring en een NEN-EN 15804 certificaat?

Dit is een goeie vraag, want de namen klinken ingewikkeld, maar het doel is simpel. Een NEN-EN 15804 certificaat gaat over de milieuprestatie van een product. Het is een soort 'paspoort' dat laat zien wat de impact is op het milieu, van productie tot en met de sloop.

Dit is vooral interessant voor bouwers die een BREEAM-certificaat willen halen. Ze moeten kunnen aantonen dat hun materiaal duurzaam is.

Dit certificaat is de standaard voor de hele bouwsector. Een MIA (Milieu-investeringsaftrek) en VAMIL (Willekeurige Afschrijving Milieubedrijfsmiddelen) zijn fiscale regelingen.

Dit zijn geen certificaten voor je materiaal, maar regelingen voor de koper. Als een bedrijf investeert in een duurzaam product (zoals jouw geoogste materialen), mag het een deel van de investering aftrekken van de winst. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet het product wel op de Milieulijst staan.

Soms helpt een certificaat om daarop te komen. Kortom: het ene is een technisch bewijs, de andere is een financieel voordeel voor de koper.

Hoe weet ik zeker dat mijn oude bouwmaterialen nog wel veilig zijn om te gebruiken?

Dit is de allerbelangrijkste vraag. Je wilt natuurlijk geen asbest terug de bouw in brengen.

Veiligheid gaat voor alles. Het certificeringsproces begint dan ook met een goede inspectie.

Je moet je materiaal opdelen in batches. Stel, je hebt 500 vierkante meter vloerplanken uit een oud fabriekspand. Dan neem je monsters van ongeveer 10 cm bij 10 cm uit verschillende delen van die partij. Die monsters stuur je op naar een gecertificeerd laboratorium.

Daar doen ze onderzoek. Ze kijken naar de houtsoort, maar ook naar verontreinigingen.

Voor hout testen ze op sporen van creosoot of verfresten. Voor steen testen ze op zware metalen of zouten. De kosten hiervan liggen vaak tussen de €200 en €500 per monster.

Als de uitslag 'schoon' is, geeft het lab een rapport. Dat rapport is de basis voor je certificaat. Zo weet je voor 100% zeker dat je veilig materiaal levert.

Welke stappen moet ik nou precies volgen om mijn materialen gecertificeerd te krijgen?

Oké, laten we het concreet maken. Stel, je wilt een partij stalen kozijnen certificeren.

Het proces is eigenlijk in vier simpele stappen te verdelen. Ten eerste: de inventarisatie. Je meet alles op, maakt foto's en voorkomt fouten bij de opslag door het materiaal direct goed te sorteren.

Je schrijft precies op wat je hebt: '50 stalen kozijnen, type X, afmetingen 120x150 cm, verwijderd uit pand Y.' Dit is je basisdocument.

Ten tweede: de visuele controle en het monstername. Je inspecteert elk stuk op roest, scheuren of beschadigingen. Als het materiaal schoon en heel is, neem je de monsters voor het lab. Ten derde: het laboratoriumonderzoek.

Je wacht op de uitslag. Als die goed is, vraag je een certificaat aan bij een instantie zoals SKG-IKOB of een vergelijkbare partij die gespecialiseerd is in hergebruikte materialen.

Zo is direct duidelijk waar je gecertificeerde bouwmaterialen koopt die voldoen aan alle kwaliteitseisen. Zij baseren hun certificaat op jouw rapporten. Ten vierde: de administratie.

Zorg dat alle documenten digitaal en fysiek goed bewaard blijven. De koper wil dit zien.

Hoe zit het met de kosten? Is dit alleen iets voor de grote jongens?

Een veelgehoorde angst is dat certificeren duizenden euros kost en alleen voor multinationals is weggelegd. Dat hoeft niet waar te zijn. De kosten hangen volledig af van wat je doet.

Een simpel certificaat voor een partij onbehandeld eikenhout, waarbij je alleen de soort en afmetingen vastlegt, is relatief goedkoop.

Denk aan enkele honderden euros. De kosten lopen op als je complexe tests moet doen.

Asbest- en loodonderzoek is duurder dan een houtsoortbepaling. Als je een grote partij van 10.000 bakstenen wilt certificeren, zijn de kosten per steen heel laag. Begin klein. Pak één specifieke partij aan, bijvoorbeeld die ene mooie partij grenen balken uit de schuur. De investering verdien je vaak snel terug door de marktwaarde van geoogste bouwmaterialen en het feit dat je materialen niet als bouwval, maar als 'circulair hoogwaardig product' verkoopt.

Wie bepaalt eigenlijk of mijn materiaal goed genoeg is? En wat als het afkeurt?

Er zijn verschillende partijen in het spel. Je hebt de laboratoria die de tests uitvoeren.

Zij zijn onafhankelijk en kijken naar de chemische en fysieke eigenschappen. Dan heb je de certificerende instanties, zoals SKG-IKOB of TÜV.

Zij zijn degenen die het officiële certificaat uitgeven op basis van de labuitslagen. Zij bepalen of jouw materiaal voldoet aan de gestelde normen, zoals de NEN-EN 15804. Wat als het materiaal afkeurt?

Paniek is niet nodig. Allereerst: een 'afkeuring' is vaak een waarschuwing. Het lab kan zeggen: "Dit hout bevat teveel verfresten, het is niet geschikt voor binnengebruik, maar misschien wel voor een tuinhek." Zoek naar de juiste toepassing. Als het echt onbruikbaar is, dan is dat jammer, maar het voorkomt wel dat je later voor vervelende verrassingen komt te staan. Het is beter om nu een partij van €500 af te keuren dan later een schadeclaim van €50.000 te krijgen omdat een constructie niet bleek te kloppen.

Portret van Thomas Hoekstra, Bouwkundig Ingenieur & Circulaire Bouw Adviseur
Over Thomas Hoekstra

Thomas is bouwkundig ingenieur en adviseur circulaire economie in de bouwsector. Hij helpt aannemers, architecten en opdrachtgevers met de transitie naar circulair en biobased bouwen.

Volgende stap
Bekijk alle artikelen over Uitvoering, Demontabel Bouwen & Urban Mining
Ga naar overzicht →