De Losmaakbaarheidsindex van CB'23 als toekomstig keurmerk
Stel je voor: je bouwt een prachtig nieuw kantoorpand. Volgens de nieuwste inzichten, met hout dat lokaal is gewonnen en isolatie van hennep. Top, denk je.
Maar wat gebeurt er over 50 jaar? Dan moet het pand gesloopt worden. Meestal eindigt al dat moois als puin op een stortplaats. Zonde, nietwaar?
De Losmaakbaarheidsindex van CB'23 wil hier verandering in brengen. Dit is geen ver-van-je-bed-show, maar een nieuwe meetlat die straks wel eens hét keurmerk voor circulair bouwen kan worden.
Het draait allemaal om één simpele vraag: kunnen we dit gebouw straks makkelijk uit elkaar halen en de materialen hergebruiken?
Wat is die Losmaakbaarheidsindex nou eigenlijk?
De naam klinkt ingewikkeld, maar het idee is super simpel. 'Losmaakbaarheid' betekent gewoon: hoe makkelijk kun je iets uit elkaar halen zonder het te beschadigen?
De Losmaakbaarheidsindex (LMI) van Cement&Beton (CB'23) is een systeem dat dit voor bouwprojecten gaat meten. Het is een soort rapportcijfer voor de demontage-vriendelijkheid van je gebouw. Je kunt het vergelijken met een IKEA-kast, maar dan voor echte bouwprojecten.
Sommige kasten zitten zo in elkaar geschroefd dat je ze nooit meer zonder schade uit elkaar krijgt.
Andere kun je gewoon weer uit elkaar halen. De LMI geeft punten voor die makkelijke methodes. Gebruik je schroeven in plaats van lijm?
Zijn de wanden makkelijk te verplaatsen? Dan gaat je score omhoog.
Het doel is om materialen als waardevolle bouwstenen te behouden, in plaats van ze als afval te zien.
De index is ontwikkeld door Cement&Beton, de kennispartner voor de beton- en bouwsector. Het is een meetinstrument dat ontwikkelaars, architecten en aannemers helpt om na te denken over de toekomst. Het is niet zomaar een theoretisch idee, maar een concrete tool die je straks kunt gebruiken bij het ontwerpen en bouwen. Het draagt bij aan een circulaire economie waarin materialen blijven draaien.
Waarom dit keurmerk zo hard nodig is
Onze bouwsector is een enorme verslinder. We halen grondstoffen uit de grond, bouwen er iets mee en gooien het na een paar decennia weg.
Dat is een lineair proces: van mijn naar afvalberg. Dit is niet meer van deze tijd. We hebben te maken met schaarse grondstoffen en een stijgende CO2-uitstoot. Urban mining, het 'oogsten' van materialen uit bestaande gebouwen, wordt hierdoor steeds belangrijker.
De LMI zorgt ervoor dat we bij de bron al beginnen met urban mining. Stel je voor dat je over 40 jaar een sloop nodig hebt.
Met een hoge LMI-score weet je precies wat je kunt verwachten. Je kunt de betonnen elementen met een kraan eruit hijsen, ze schoonmaken en direct hergebruiken in een nieuw gebouw.
Zonder dat je ze hoeft te breken of te vermalen. Dit bespaart bakken met energie en geld. Het voorkomt dat je nieuwe, milieu-onvriendelijke materialen hoeft te kopen.
Het is pure winst voor het milieu en je portemonnee. Een hoog rapportcijfer voor losmaakbaarheid zegt dus iets over de toekomstwaarde van je pand.
Een gebouw met een lage score is straks een hoop kosten voor sloop en storten. Een gebouw met een hoge score is een waardevolle materialenbank. Beleggers en ontwikkelaars die hierop sturen, lopen voorop.
Ze bouwen niet alleen duurzaam, ze bouwen slim voor de toekomst. Ze zorgen dat hun investering zijn waarde behoudt.
Hoe de index werkt: van score tot sloop
De Losmaakbaarheidsindex werkt met een puntensysteem. Elk onderdeel van het gebouw krijgt een score op basis van een aantal criteria.
De meeste punten verdien je met 'droge verbindingen'. Dat zijn verbindingen die je makkelijk weer open kunt draaien, zoals bouten, moeren en speciale koppelingsystemen.
Lijmen, kitten of monoliet beton (waarbij alles aan elkaar vastzit) scoren juist heel laag. Een concreet voorbeeld: een vloer die bestaat uit losse, voorgespannen betonplaten van 15 cm dik, die met bouten op de draagbalken liggen, krijgt een hoge score. Je kunt de platen na 50 jaar weer oppakken en elders hergebruiken.
Een vloer die volledig monoliet is gestort met beton, krijgt een lage score. Die moet je eerst breken om de materialen te recyclen.
Dat kost energie en de kwaliteit van het materiaal gaat omlaag. Het systeem kijkt naar meerdere lagen van het gebouw. Denk aan de gevel, de vloeren, de wanden en zelfs de installaties. Wordt er gebruik gemaakt van herbruikbare gevelelementen, zoals de 'gevel met losmaakbare kozijnen' die je steeds vaker ziet?
Dan levert dat punten op. Zijn de leidingen makkelijk te vervangen zonder de wanden open te hoeven breken?
Ook dat telt mee. De totaalscore bepaalt of je gebouw uiteindelijk een 'gouden', 'zilveren' of 'bronzen' certificaat krijgt. De index is nog in ontwikkeling, maar de basisprincipes zijn duidelijk.
Het draait allemaal om het ontwerpen met demontage voor ogen. Architecten en engineers moeten al in de beginfase nadenken over hoe het gebouw ooit weer uit elkaar kan.
Dit vereist een andere manier van denken dan we nu vaak doen. Het is een omslag van 'bouwen voor eeuwig' naar 'bouwen voor meerdere levenscycli'.
De kosten en baten: wat levert het op?
Investeren in losmaakbaarheid kost in eerste instantie geld. Een losmaakbare vloer is vaak duurder in aanschaf dan een monoliet gestorte vloer.
Denk aan meerprijzen van €10 tot €20 per vierkante meter voor speciale koppelingsystemen en prefab elementen. Ook de engineering en de materiaalkeuze vragen om extra aandacht. De initiële investering voor een gebouw met een hoge LMI-score kan daardoor 2 tot 5 procent hoger liggen.
Maar kijk naar de lange termijn. De baten zijn vaak vele malen groter.
De materialen die je nu inkoopt, zijn straks nog wat waard. Je voorkomt hoge sloopkosten en stortbelastingen, die makkelijk kunnen oplopen tot €50 tot €100 per ton afval. Bovendien, als je materialen na 50 jaar opnieuw kunt gebruiken, hoef je geen nieuwe grondstoffen te kopen.
De prijzen voor materialen als staal en hoogwaardig beton zullen alleen maar stijgen. Er zijn al partijen die hiermee experimenteren.
Kijk naar projecten die werken met 'demontabele betonbouw'. Daar zie je dat de vloerplaten en kolommen na hun eerste leven een tweede leven krijgen in een nieuw gebouw.
De waarde van die materialen wordt nu al meegenomen in de businesscase. De LMI maakt deze waarde voor iedereen inzichtelijk. Het wordt een standaard waarmee je de kwaliteit van je gebouw kunt aantonen. Een bijkomend voordeel is dat een hoge LMI-score vaak samen gaat met een lagere CO2-voetafdruk.
Materiaalhergebruik spaart immers energie. Dit sluit perfect aan bij de eisen vanuit de overheid en nieuwe Europese bouwstandaarden voor duurzame gebouwen.
Het helpt je om te voldoen aan BREEAM of de richtlijnen van de SBK voor milieuprestaties. De index is dus een extra troefkaart om je project te vermarkten als écht duurzaam.
Praktische tips voor een hoge Losmaakbaarheidsscore
Het is dus zaak om nu al na te denken over losmaakbaarheid. Je hoeft niet te wachten tot de index een officieel keurmerk is. Je kunt nu al beginnen met deze principes toe te passen, bijvoorbeeld door Level(s) te gebruiken in je project. Hier zijn een paar concrete tips om je op weg te helpen, specifiek voor circulair en biobased bouwen.
- Kies voor droge verbindingen: Probeer lijm en kitten zoveel mogelijk te vermijden. Gebruik schroeven, bouten en moeren. Kijk naar systemen van leveranciers die gespecialiseerd zijn in demontabele constructies. Denk aan speciale koppelingsplaten voor vloeren of gevels.
- Gebruik een modulair ontwerp: Ontwerp het gebouw uit losse, herbruikbare modules. Denk aan betonelementen van 3 meter bij 6 meter die je makkelijk met een kraan kunt verplaatsen. Dit werkt veel sneller en schoner op de bouwplaats.
- Maak materiaalpaspoorten: Houd precies bij welke materialen je gebruikt. Welke soort beton? Welke houtsoort? Waar komen ze vandaan? Met een digitaal materiaalpaspoort weet de volgende eigenaar precies wat hij in huis heeft. Dit verhoogt de toekomstwaarde enorm.
